Problemen met het analyseren van je data?
In 2 tot 3 uurtjes loods ik je daar doorheen >>>
Online hulp, direct (!) antwoord op al je vragen.
In onze video-tutorials laten we je zien hoe je het moet doen >>>

Page content

Betrouwbaarheid

Om het begrip betrouwbaarheid goed te begrijpen kun je het begrip het beste afzetten tegen het begrip onbetrouwbaarheid. Een onbetrouwbaar persoon is iemand die liegt, zo maar wat zegt of je van alles op de mouw probeert te spelden. Een betrouwbaar persoon is daarentegen iemand die altijd de waarheid spreekt. De informatie die je krijgt kun je afzetten op een schaal van 0 tot 100%. 0% betekent dan zoiets als ‘volstrekte onzin’ en 100% betekent dan zoiets als ‘volledig overeenkomend met de werkelijkheid’. Net als bij mensen kunnen meetinstrumenten verschillen in de mate waarin zij betrouwbare informatie opleveren.

 

Hoe goed je het ook probeert, geen enkele meeting is voor de volle honderd procent te allen tijde betrouwbaar. Dat kan liggen aan het meetinstrument of aan de meetprocedure of aan het te bemeten object. De lengte van een mens is een redelijk constant kenmerk, maar als je dat meet met een plastic liniaaltje van 30 cm, zal de meting niet erg betrouwbaar zijn. Je kunt het ook overwegen om een metalen liniaal te gebruiken of een meetlint, maar vaak zullen al die uitkomsten niet helemaal hetzelfde zijn. Op de een of andere manier zijn de uitkomsten altijd een beetje verschillend, al was het maar in duizendste millimeter. Elk meetinstrument is dus een beetje onbetrouwbaar, maar het ene instrument lijkt wel meer betrouwbare informatie op te leveren dan het andere.

Niet alleen een verandering in het meetinstrument kan de score beïnvloeden. Het kan ook liggen aan het te meten kenmerk zelf. Bijvoorbeeld, vaak wordt gedacht dat de lengte van een persoon een constante is. Dat is niet het geval. Als een persoon ’s morgenvroeg gemeten wordt dan is hij wat langer dan wanneer dezelfde persoon met hetzelfde meetinstrument ’s avonds gemeten wordt. Dit komt doordat de persoon door het werk dat hij die dag gedaan heeft, vermoeid is geraakt en daardoor letterlijk iets in elkaar zakt. Sommige aspecten zijn zelfs aan grote fluctuaties onderhevig, zoals motivatie en concentratie. Dat maakt het moeilijk om ze betrouwbaar te meten.

Een score die het meetinstrument aan het kenmerk van een onderzoekseenheid toekent, kan beschouwd worden als een optelling van een aantal factoren. In woorden kan men stellen dat de gemeten score bepaald wordt door een sommatie van de factoren die bestaat uit de werkelijke score van het kenmerk, de afwijking als gevolg van de stand van dat kenmerk op het moment van meten en de afwijking in de stand van het meetinstrument op het moment van meten. In formule ziet dat er zo uit:

De formule voor betrouwbaarheid

Een meetinstrument is betrouwbaarder als deze scores toekent aan kenmerken waarvan de afwijking in de meting zo min mogelijk aan het meetinstrument is te wijten. Met andere woorden, men streeft als onderzoeker naar een situatie waarin Ameetinstrument nul is.

Hoe verloopt betrouwbaarheidsonderzoek in de praktijk? Dit kan op twee manieren: je verricht op één meetmoment twee maal of vaker dezelfde meting, of je verricht twee maal een meting maar op verschillende meetmomenten. Dit laatste, twee meetmomenten, kan gebeuren met behulp van hetzelfde meetinstrument, of juist niet met hetzelfde maar wel een nagenoeg identiek meetinstrument. Door een (productmoment) correlatie te berekenen tussen de scores kan de betrouwbaarheid van het instrument worden vastgesteld.

Iedere vorm levert een betrouwbaarheidscoëfficiënt op die een eigen naam heeft. Deze mogelijkheden zijn in het schema hieronder weergegeven (naar: Drenth, 1977).

Eén meetmoment:
– twee parallelle metingen (interne consisten­tie)
– vele parallelle metingen (homogeniteit of Cronbachs alfa)
Twee meetmomenten:
– hetzelfde meetinstrument (test-hertest betrouwbaarheid)
– identieke meetinstrumenten (stabiliteit)

Homogeniteit wordt ook vaak interne consistentie genoemd en a-specificiteit en stabiliteit zou men als de twee vormen van test-hertest betrouwbaarheid kunnen beschouwen. Cronbach heeft een maat voor homogeniteit ontwikkeld die nu algemeen gebruikt wordt: de Cronbachs alfa. Hij noemt dit zelf steevast interne consistentie. Dan zijn er nog maar twee vormen van betrouwbaarheid.

Tot slot nog even dit. Krijg je een hoge correlatie tussen de metingen dan heb je een betrouwbaar meetinstrument. Heb je een lage correlatie dan heb je waarschijnlijk geen betrouwbaar meetinstrument. Dat een lage correlatie niet zondermeer te wijten is aan de onbetrouwbaarheid van het meetinstrument, blijkt uit de formule voor betrouwbaarheid. De lage score kan ook te wijten zijn aan veranderingen in het te meten kenmerk.

 

Voor op de pagina's van het Online Woordenboek Onderzoek en Statistiek© Foeke van der Zee (2017). hulpbijonderzoek.nl/online-woordenboek/betrouwbaarheid

– specialist in Onderzoek en Statistiek
– auteur van boeken over onderzoek

Wil jij ook onbezorgd aan de slag met je onderzoek? Kies dan voor scriptiehulp.

 

Aan Betrouwbaarheid gerelateerde trefwoorden:

interne consistentie
homogeniteit
test-hertestbetrouwbaarheid
stabiliteit

 

Bekijk ook onze video over het meetinstrument uit de reeks Hulp bij Methodologie. Daarin leggen we uit waar een goed meetinstrument aan moet voldoen om valide en betrouwbare data te krijgen. Onze video’s zijn niet gratis. De prijs is vergelijkbaar met een goed boek over dit onderwerp.

 

Naar het Online Woordenboek Onderzoek en StatistiekTerug naar het
Online Woordenboek Onderzoek en Statistiek

 

Ben je op zoek naar goede informatie over onderzoek?
In het Kenniscentrum Onderzoek en Statistiek vind je het wel.
Maak gratis kennis met onze video’s!

Schrijf je nu in en maak gratis kennis met ons introductiepakket. Daarin leg je de basis voor goed onderzoek. Je ontvangt 3 video’s en een white paper.  Echt, helemaal gratis!

Introductiepakket van Hulp bij Onderzoek

 

Motto van Hulp bij Onderzoek